Lotgevallen 52

Lotgevallen 52

ZIEKENHUIS

Sinds een week ga ik met ongekend plezier plassen. Waarom ben ik ineens blij met zoiets simpels en vanzelfsprekends?

Dat komt, in de week ervoor werd ik geopereerd en eenmaal uit de narcose lukte het me niet om ook maar één druppel uit mijn blaas te persen, terwijl er meer dan een halve liter in zat.

‘We zullen een slangetje moeten inbrengen om de blaas te legen,’ zei de zuster. Tegen beter weten in vroeg ik waar dat slangetje dan in ging.

‘Dat kan maar in één gaatje, hè,’ zei ze vriendelijk.

Een collega kwam haar assisteren. Het gordijn om mijn bed werd dichtgeschoven. De dunne blauwe onderzoekshandschoenen werden aangetrokken. Ik sloot mijn ogen maar. Was ik nu maar een vrouw, zei ik nog zachtjes tegen mezelf.

Maar niet zacht genoeg. De zuster hoorde het.

‘Vrouwen hebben ook weleens vervelende onderzoeken hoor,’ lachte ze. En toen zei ze dat ik diep moest zuchten. Dat helpt, zei ze.

Lotgevallen 49 – Leo Lotterman

Lotgevallen 49 – Leo Lotterman

TIEN KILOMETER

Je hoeft alleen maar de tien kilometer eronder te krijgen, zei ik tegen mezelf.  Niets en niemand anders. Alleen de tien kilometer. Ok. Ik startte in mijn eigen looptempo. Langzaam dus. Dat had ik geleerd op de beginnerscursus hardlopen. Maar na twee kilometer begon ik toch te twijfelen aan m’n snelheid, want ik werd alleen maar ingehaald, ik haalde zelf niemand in. Toen zette ik toch maar een tandje bij. Het werkte. Na een minuut of tien passeerde ik hardlopers die wandelden. Ja, dat krijg je ervan als je te hard van stapel loopt, zei ik wijs tegen mezelf en toverde een triomfantelijk glimlachje. Maar bij het bordje 7 kilometer verdween mijn glimlach. Mijn benen voelden als eikenhout. Recht vooruitkijken deed ik niet meer, dat maakte de weg naar de eindstreep alleen maar langer. Ik rende met het hoofd omlaag, ik zag alleen de weg vlak voor mijn voeten. Ik zag geen publiek meer. Tot ik de Molenstraat inliep, voor de laatste paar honderd meter. Toen was het voorbij. Het was 24 juni, warm en zonnig – de zomer was begonnen!

 

Lotgevallen 48 – Leo Lotterman

Lotgevallen 48 – Leo Lotterman

MAXIMA (2)

Argentijnse media berichtten dat koningin Maxima op de begrafenis van haar zus het lied “Knockin’ on heaven’s door” van Bob Dylan heeft gezongen. Eerder zong zij op de begrafenis van haar vader ook een lied van Dylan. Welke, dat stond jammer genoeg niet in het bericht. Los van de verdrietige aanleiding, is dit nieuws voor mij, die al langer dan levenslang in Bob is, te mooi om niet waar te zijn. Ik word er blij van. Omdat “Knockin’ on heaven’s door” gewoon een heel erg mooi lied is. Dat is één. Twee is dat onze koningin blijkbaar ook een beetje in Bob is. Drie, ten slotte. Er gaat weinig boven een koningin die liedjes van Bob Dylan zingt. Ze zingt ze vast heel mooi. Troostrijk, vermoed ik.

Lotgevallen 47 – Leo Lotterman

Lotgevallen 47 – Leo Lotterman

MAXIMA (1)

In de krant las ik dat de zus van koningin Maxima is overleden. Dat is verdrietig nieuws. Mijn gedachten dreven langzaam naar mijn broer die in 1999 op 45-jarige leeftijd stierf aan een hartstilstand. Het verdriet om zijn dood is altijd anders geweest dan om mijn gestorven vader en moeder. Je weet dat je ouders op een gegeven moment doodgaan, het getij verloopt, en daar kun je, uiteindelijk, vrede mee hebben. Maar een broer of zus, nee. Dat blijft trekken. Die hoort namelijk minstens net zo lang te leven als jij. Samen oud worden omdat je vroeger ook samen jong was. Je zat naast elkaar in pyjama op de bank en keek televisie, je sliep bij elkaar op de kamer, je kreeg zijn fiets omdat hij nu eenmaal eerder groot werd. Dit alleen al zorgde voor een fundamentele verbondenheid. Daarom voelde het sterven van mijn broer bijna als een amputatie. Maar ik moest toen wel verder. Dus je leerde er mee leven, zoals met een mank been.

Lotgevallen 46 – Leo Lotterman

Lotgevallen 46 – Leo Lotterman

MANNEN EN VROUWEN

Het was me nooit zo nadrukkelijk opgevallen, tot een paar dagen terug op een bank in het Emile van Loonpark een jongen en een meisje bijna gelijktijdig hun dunne trui uittrokken. Het was die dag nog warmer dan voorspeld, vandaar. Wat ik toen zag, zag ik vanaf dat moment vaker. Omdat ik erop ging letten. Het gebeurde thuis. Op televisie. Een enkele keer in de stad, in de zon. Dat mannen en vrouwen dus een trui of shirt anders uittrekken. Vrouwen pakken hun shirt aan de voorkant vast en trekken het met gekruiste armen over het hoofd, recht omhoog. Mannen pakken hun shirt juist aan de achterkant bij de nek en trekken het dan naar voren, en buigen daarbij het hoofd. Waarom dit verschil bestaat, ik weet het niet. Ik kom niet verder dan de volgende constatering. Ik probeerde een shirt op vrouwelijke wijze uit te trekken. Het voelde niet alleen heel onnatuurlijk, ook schoof ik met mijn shirt bijna de bril van mijn neus. Dat gebeurt niet als ik het op z’n jongens doe.

Spring naar werkbalk